Particulieren

De WIA een werknemersverzekering

Na twee jaar ziekte berekent het UWV of u recht heeft op een uitkering op grond van de WIA. De WIA (wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen) is de opvolger van de WAO (zie ook de site werken naar vermogen).

De overheid wilde er door de WIA voor zorgen dat minder mensen een beroep gingen doen op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Met name door strenger te keuren en het verhogen van het arbeidsongeschiktheidspercentage zou iemand minder snel in de WIA kunnen komen. De kern van de WIA is dat er gekeken wordt naar wat u nog wél kunt. De procedure voor de arbeidsongeschiktheidskeuring is niet veranderd: vóór afloop van de periode van ziekte zult u een keuring moeten hebben ondergaan, waarbij wordt beoordeeld in welke mate u (blijvend) arbeidsongeschikt bent. Anders gezegd: voor welk percentage u nog kan werken en wat voor werk u dan zou kunnen doen. Dit wordt ook wel de restverdiencapaciteit genoemd.
De beoordeling bestaat uit twee delen: u ondergaat een keuring door de verzekeringsarts en u krijgt een beoordelingsgesprek met de arbeidsdeskundige van het UWV. De uitkomst van deze keuringsgesprekken vormt de basis voor het zoeken naar passende arbeid. De uitkering die u ontvangt hangt dus niet alleen af van de mate van arbeidsongeschiktheid, maar ook van hoeveel u als werknemer zelf nog kunt verdienen; uw verdiencapaciteit. Iemand die meer werkt wordt er dan ook financieel beter van.

-- splitter line - remove this to remove the split --

Er zijn drie mogelijkheden:

Geen uitkering
Indien u na de keuring voor minder dan 35 procent arbeidsongeschikt wordt bevonden dan heeft u geen recht meer op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In feite bent u dan nog in staat om 65% of meer van uw oude salaris te verdienen. Het is de bedoeling dat u samen met uw werkgever bekijkt hoe u uw resterende verdiencapaciteit het beste kunt benutten. Eerst zal er binnen het bedrijf van uw huidige werkgever gekeken worden. Als daar geen geschikte plaats te vinden is, dan wordt u wellicht bij een andere werkgever geplaatst. Het benutten van die resterende verdiencapaciteit is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van u en uw werkgever.

Let op: u kunt dus bij arbeidsongeschiktheid zo 1/3 deel van uw inkomen kwijtraken! Het komt er dus eigenlijk op neer dat je 34% van je arbeidsvermogen kunt verliezen waar niets tegenover staat!

-- splitter line - remove this to remove the split --

Voorbeeld:
Jeanette (24) is afgestudeerd aan de TU Delft en is in loondienst gegaan bij een gerenommeerd architectenbureau. Ze heeft gekozen voor een parttime dienstbetrekking om op die manier werken goed te kunnen combineren met de zorg voor Simone, haar pasgeboren dochtertje. Jeanette kreeg door het vele computerwerk last van rsi klachten. Ze kon niets anders doen dan zich ziek melden. Nu, twee jaar verder, is ze voor 20% arbeidsongeschikt verklaard en dankzij een aangepaste werkplek weer op de werkvloer te vinden.

In welke WGA categorie valt Jeanette en wat betekent dit (financieel) voor haar?
Ze valt in de categorie tot 35% arbeidsongeschikt en krijgt dus géén WIA-uitkering.
Ze blijft in principe bij haar werkgever in dienst, maar doordat ze minder werkt verdient ze minder dan haar oude inkomen. Jeanette heeft dus last van een blijvend inkomensverlies.

 

-- splitter line - remove this to remove the split --

Een WGA-uitkering
Wordt u voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt verklaard, dan valt u onder de Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). Ook als u voor meer dan 80% arbeidsongeschikt bent en het is duidelijk dat de arbeidsongeschiktheid niet blijvend zal zijn volgt toch een WGA-uitkering. In feite kunt u als u een WGA-uitkering krijgt nog tussen de 20% en 65% van uw oude salaris verdienen. Tijdelijk minder dan 20% behoort dus ook tot de mogelijkheden.

De WGA-uitkering kent drie varianten:

De loongerelateerde uitkering
De loonaanvullingsuitkering
De vervolguitkering

-- splitter line - remove this to remove the split --

De loongerelateerde uitkering:

De loongerelateerde uitkering is gebaseerd op het oude loon.

Om in aanmerking te komen voor een loongerelateerde WGA-uitkering moet u voldoen aan de zogeheten wekeneis. De wekeneis houdt in dat u direct voorafgaand aan de ziekte tenminste 26 van 36 weken gewerkt moet hebben. Haalt u dit niet dan volgt in plaats van een loongerelateerde uitkering direct een loonaanvullings- of een vervolguitkering (WGA-gat).
Wordt voldaan aan de wekeneis dan ontvangt u, bovenop het loon dat u nog weet te verdienen, een uitkering. Die uitkering ontvangt u gedurende een periode die afhankelijk is van uw arbeidsverleden. Die periode is minimaal drie maanden en maximaal 38 maanden. De uitkering bedraagt de eerste twee maanden 75% (en daarna 70%) van het verschil tussen het oude en het nieuwe loon (met als maximum het maximumdagloon). Het maximum dagloon bedraagt in 2018 € 54.614. Gaat u niet werken dan is de uitkering ook afhankelijk van het arbeidsverleden (gedurende minimaal drie maanden en maximaal 38 maanden) en zal in de eerste twee maanden 75% (en daarna 70%) van het laatstverdiende loon (met als maximum het maximumdagloon) bedragen.NB! De maximale duur van de loongerelateerde uitkering was tot 1 januari 2008 afhankelijk van de leeftijd. Per 1 januari 2008 hangt de maximale duur van de loongerelateerde uitkering af van uw feitelijke arbeidsverleden. Eigenlijk betekent deze wijziging dat per gewerkt jaar een extra maand uitkering ontstaat. Voor jongeren en herintreders met weinig arbeidsverleden betekent deze wijziging dat het WGA-gat sneller dichterbij komt.

-- splitter line - remove this to remove the split --

Voorbeeld 1:
De heer Duprie heeft een dagloon van € 110 en wordt 50% arbeids(on)geschikt. Met zijn werk kan de heer Duprie nog € 45 verdienen. Hij heeft nu recht op een loongerelateerde uitkerings ter grootte van 75% en daarna 70% van (€ 110 minus € 45). Dat is dus € 45 + € 45,50 = € 90,50. Hier wordt dus rekening gehouden met hetgeen hij daadwerkelijk verdient.

Gedurende de WGA loongerelateerde periode (die afhankelijk is van het arbeidsverleden - zie hieronder), wordt zowel het inkomensverlies ten gevolge van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als wel het inkomensverlies als gevolg van werkloosheid gedekt. De eerste fase van de WGA (loongerelateerde periode) heeft een zelfde eigenschap (hoogte, duur, arbeidsverleden) die gelijk is aan de WW. WIA kent één geldelijke uitkering in de loongerelateerde periode die dus afhankelijk is van het arbeidsverleden! De duur van de loongerelateerde uitkering zal dus op dezelfde wijze bekort worden (van maximaal 38 naar maximaal 24 maanden) als de duur van de WW. Het is de bedoeling dat vanaf 2016 de WW-uitkeringsduur wordt terug gebracht met 1 maand per kwartaal. Daarmee wordt, vanaf 2e kwartaal 2019, de maximale uitkeringsduur van 2 jaar (24 maanden) bereikt.

De opbouw van WW-rechten (en daarmee ook de duur van de loongerelateerde uitkering) wordt:

  • Eerste 10 jaar: één maand WW-uitkering per jaar arbeidsverleden;
  • Vanaf 11-de jaar: opbouw van een halve (½) maand WW-uitkering per jaar arbeidsverleden

-- splitter line - remove this to remove the split --

De loonaanvullings/ of vervolguitkering
Na afloop van de loongerelateerde uitkeringsfase ontvangt u óf een loonaanvullingsuitkering óf een WGA-vervolguitkering. Welke van de twee is afhankelijk van hoeveel u volgens het UWV nog kunt verdienen (uw zogeheten restverdiencapaciteit) en hoeveel u daarvan ook daadwerkelijk zelf verdient. Het UWV bekijkt maandelijks hoeveel u zelf heeft verdiend en in welke verhouding dat staat tot het bedrag dat u volgens het UWV nog kunt verdienen. Is de verhouding 50% of meer dan heeft u recht op een loonaanvullingsuitkering. De veel lagere vervolguitkering wordt betaald als de verhouding minder is dan 50%.

De vervolguitkering of de duur van de loonaanvulling (bij voldoende werken) is in beginsel tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Als u dus met werken minimaal 50% van uw resterende verdiencapaciteit benut dan kunt u in aanmerking komen voor een loonaanvullingsuitkering. U krijgt dan 70% van het verschil tussen uw laatstverdiende loon en het nieuwe loon dat u bij volledige benutting van de verdiencapaciteit had kunnen verdienen (geschat loonverlies).

-- splitter line - remove this to remove the split --

Voorbeeld 2:
De heer Duprie uit voorbeeld 1 heeft een resterende verdiencapaciteit van € 55 (50% van € 110). Na afloop van de 'loongerelateerde uitkeringsperiode' verdient de heer Duprie nog steeds € 45 (dus meer dan € 27,50 de helft van de resterende verdiencapaciteit). De heer Duprie heeft dan recht op een WGA-loonaanvulling van 70% van (110-55) is € 38,50. In totaal ontvangt de werknemer dan € 45 + € 38,50 = € 83,50. Nu wordt er dus geen rekening gehouden met hetgeen hij daadwerkelijk verdient ( tenzij dat meer is dan de restverdiencapaciteit) maar met hetgeen hij op grond van de restverdiencapaciteit zou “moeten” verdienen.

-- splitter line - remove this to remove the split --

Voorbeeld 3:
De heer Duprie gaat méér werken, waardoor hij € 60 gaat verdienen, dan ontvangt hij € 60 plus 70 procent van (110-55) is € 38,50. In totaal ontvangt hij dan € 98,50.
Bij niet werken of onvoldoende werken (dat wil zeggen als de werknemer minder dan 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut) bedraagt de uitkering 70% van het wettelijk minimumloon vermenigvuldigd met zijn/haar (zie tabel) arbeidsongeschiktheidspercentage. Deze uitkering is aanzienlijk lager dan die in de loongerelateerde fase. Mocht het gezinsinkomen in de WGA lager uitvallen dan het geldende sociale minimum dat voor de werknemer geldt, dan kan deze bij UWV een toeslag aanvragen. Met deze toeslag komt het gezinsinkomen dan in elk geval op het sociale minimum.

Arbeidsongeschiktheidsperc. Uitkeringsperc.

35 tot 45    28
45 tot 55    35
55 tot 65    42
65 tot 80    50,75 

-- splitter line - remove this to remove the split --

Voorbeeld 1: vervolguitkering
gedeeltelijk arbeidsongeschikt, niet of nauwelijks meer aan het werk

Mijnheer van Daalen (46 jaar) werkt als administratief medewerker en heeft een bruto jaarinkomen van €41.000. Hij werkt zijn hele leven al. Na twee jaar ziekte wordt hij voor 50 procent arbeidsongeschikt verklaard. Je zou dus ook kunnen zeggen: de 'verdiencapaciteit' van de heer Van Daalen is € 20.500 per jaar. Van Daalen heeft met zijn werkgever afgesproken dat zijn werkzaamheden zullen worden aangepast. Met die aangepaste job kan hij jaarlijks nog zo’n € 7.500 verdienen.

-- splitter line - remove this to remove the split --

Na de eerste twee jaar krijgt Van Daalen een loongerelateerde uitkering.

De duur van deze loongerelateerde uitkering hangt af van het arbeidsverleden van de aanvrager. Zijn arbeidsverleden wordt grofweg bepaald door van zijn huidige leeftijd 18 jaar af te trekken. Dat betekent dat het getal 28 overblijft. Hierbij is het van belang om te weten dat voor het bepalen van de duur van de uitkering de leeftijd bepalend is die is bereikt als de eerste twee jaar loondoorbetaling voorbij zijn. In het geval van de heer Van Daalen geldt dan een uitkeringsduur van 28 maanden. De heer Van Daalen krijgt dus gedurende 28 maanden een uitkering ter grootte van eerst 75% (eerste 2 maanden) en daarna 70% van het verschil tussen zijn laatstverdiende loon (€ 41.000) en zijn nieuwe (lagere) salaris (€7.500). De loongerelateerde uitkering komt hiermee dus in eerste instantie op € 25.125 (2 mnd.) en daarna op € 23.450 gedurende 26 maanden. Samen met zijn nieuwe salaris van € 7.500 komt hij dus uit op bijna € 31.000 per jaar. Omdat de heer Van Daalen met die €7.500 zijn verdiencapaciteit (€ 7.500 : € 20.500), maar voor een kleine 37% benut krijgt hij een veel lagere vervolguitkering na die 28 maanden. Volgens de regels van de WIA had hij namelijk minimaal 50% van zijn verdiencapaciteit moeten benutten om voor een loonaanvulling in aanmerking te komen. Vanwege zijn arbeidsongeschiktheid heeft de heer Van Daalen géén recht op een ww-uitkering. Hij valt dus na de loongerelateerde uitkering terug naar een lage vervolguitkering. Deze bedraagt afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid maximaal 50,75% van het minimumloon. Het inkomen van Van Daalen daalt dan ook van € 23.450 naar € 6.000 (bijstand), en zijn totale inkomen (€ 13.500) is minder dan eenderde van zijn oude salaris van € 41.000 euro. De heer Van Daalen heeft dus na afloop van de loongerelateerde uitkering een blijvend groot inkomensverlies.

 

-- splitter line - remove this to remove the split --

Voorbeeld 2: loonaanvullingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsongeschikt, nog wel aan het werk!

Mijnheer Van Daalen heeft met zijn werkgever afgesproken dan hij met zijn aangepaste job geen €7.500, maar €21.000 gaat verdienen. Hierdoor benut hij zijn restverdiencapaciteit nu wel voor tenminste 50%, hij verdient namelijk meer dan de helft van wat hij volgens het UWV nog zou kunnen verdienen. Na afloop van de loongerelateerde uitkering komt hij daardoor in aanmerking voor een loonaanvulling die gelijk is aan 70% van het verschil tussen zijn oude inkomen en het inkomen dat hij nog zou kunnen verdienen. 70% x (€ 41.000-
€ 21.000) = € 14.000. Samen met zijn nieuwe salaris van € 21.000 komt hij dus uit op € 35.000 per jaar. Zolang de heer Van Daalen voldoende werkt, worden zijn verdiensten aangevuld. Hij houdt echter een blijvend inkomensverlies na afloop van de loongerelateerde uitkering. De WGA uitkering wordt verstrekt voor een onbepaalde periode. Er volgen wel regelmatig herkeuringen door een UWV-arts.

-- splitter line - remove this to remove the split --

IVA (Regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten)

U bent volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als u voor meer dan 80% arbeidsongeschikt bent en er geen of een geringe kans is dat u beter wordt. U wordt dan niet gestimuleerd om weer aan het werk te gaan, maar valt onder de IVA. U ontvangt een uitkering van 75% van uw laatstverdiende loon met als maximum het maximum-dagloon. U krijgt de uitkering dan tot uw 65-jarige leeftijd. Afhankelijk van de situatie houdt het UWV tussentijdse herkeuringen. Blijkt hieruit dat u herstelt en wordt u vervolgens gedeeltelijk arbeidsgeschikt verklaard, dan gaat u in de WGA. Bent u echter langdurig aangewezen op de IVA, dan gaat uw inkomen er niet verder op achteruit. De verantwoordelijkheid van uw werkgever voor reïntegratie en loondoorbetaling houdt dan op. De werkgever kan zo nodig ontslag aanvragen.

 

-- splitter line - remove this to remove the split --

Voorbeeld
De heer Karelsen is accountmanager bij een farmaceutisch bedrijf. In zijn vrije tijd beoefent hij op vliegveld Hilversum het parachutespringen. Op een zaterdag slaat het noodlot toe; hij komt verkeerd op de grond terecht en blijkt een dwarslaesie te hebben. Het UWV keurt hem na 2 jaar tevergeefs revalideren duurzaam af voor werk.

Wat zijn de (financiele) consequenties voor de heer Karelsen?

Hij valt in de categorie 80 tot 100% arbeidsongeschikt en kan dus minder dan 20% van zijn inkomen verdienen.

Omdat hij niet meer kan werken, krijgt hij 75% van zijn laatstverdiende loon. (gemaximeerd op 75% van het maximum dagloon voor de Sociale Verzekeringen). In 2018 is dit dan ook maximaal 75% van € 54.614 is   
€ 40.961,-. Financieel gaat de heer Karelsen er dus blijvend 25% in inkomen op achteruit. Als zijn inkomen hoger was dan € 54.614,- leidt hij een extra verlies aan inkomen.